1 Methodisch handelen en reflecteren

 Leerdoel 1

   Ik weet met welke methodes we werken op Maeykehiem en ik wat deze  

  inhouden.

 Wie ben ik/waar sta ik (huidige situatie)?:

Ik weet weinig van het methodisch werken op mijn werkplek.

Toen we het over methodes en methodieken hadden, had ik geen idee dat wij hier ook mee werkten op Maeykehiem. Het bleek echter dat wij hier wel degelijk mee werken. Ik ben erg benieuwd welke methodes wij binnen Maeykehiem gebruiken, ik wil dit graag gaan uitzoeken. Nu we het tijdens de opleiding over methodes en methodieken hebben weet ik hier al veel meer van af dan dat ik deed. Ook heb ik voor mezelf wel het gevoel dat ik een aantal punten herken dus ik denk dat we er wel mee werken maar zeker weten doe ik het niet.

Daarom wil ik uitzoeken met welke methodes en methodieken we werken.

 Waar wil ik naartoe? En waarom?

Ik wil graag weten met wat voor methodes en methodieken wij werken op Maeykehiem, ik heb hier helemaal geen weet van. Het lijkt me interessant om te weten waar we mee werken. Ik heb weinig gehoord of gelezen over de methodes en methodieken binnen mijn instelling, daarom wil ik hier graag meer over weten. Als ik er achter kan komen welke methodes en methodieken we gebruiken wil ik me er in verdiepen en wil ik weten wat ze precies inhouden.

 Hoe kom ik daar? (actieplan)

Op mijn werk ga ik op zoek naar methodes en methodieken. We werken met de HKZ-map, misschien dat ik daar iets in kan vinden. Ook kan het zo zijn dat we mappen op het werk hebben waar de methodes in staan, hier heb ik geen idee van dus ik zal ook navraag doen bij collega’s. Als ik de methodes en methodieken heb gevonden zet ik ze op papier zodat ik het altijd terug kan lezen.

 Op welke manier maar ik resultaten zichtbaar?

Zie hierboven. Als ik de methodes en methodieken heb gevonden zet ik ze op papier zodat ik het altijd terug kan lezen.

 

Uitwerking en resultaten

 Leerdoel 1

   Ik weet met welke methodes we werken op Maeykehiem en ik wat deze  

  inhouden.

 Methodes en Methodieken die er binnen Maeykehiem worden gebruikt: 

- Z!N ?

Z!N betekent Zelf Initiatief Nemen.
Met Z!N willen we bereiken dat er een algemene begeleidingsattitude organisatiebreed binnen Maeykehiem ontstaat die meer recht doet aan de zelfstandigheid en keuzevrijheid van cliënten.
Met Z!N willen een koerswijziging bereiken die ten goede komt aan de cliënt door meer zeggenschap en invloed op eigen leven te krijgen.
Een middel daartoe is een attitudeverandering bij medewerkers.
Het Z!N project is mede ontwikkeld met CEREIN, training en adviesbureau te Maarn, die ook de trainingen verzorgt en verdere ondersteuning biedt.
Begin 2005 is het Z!N project binnen Maeykehiem van start gegaan.


De aanleiding tot invoering van Z!N

Aanleiding tot invoering van Z!N zijn twee hoofdredenen.
In de eerste plaats ervaren veel begeleiders een grote onderlinge diversiteit aan begeleidingsmethodieken in individuele begeleidingsvisies.
Vanuit een gezamenlijk gedeelde zorgvisie bestaat de wens om te komen tot meer onderlinge afstemming, zonder daarbij de individuele inkleuring en accentuering, die er altijd is en zal blijven, te niet te doen.
Een tweede aspect ligt besloten in het begrip ‘’aangeleerde hulpeloosheid”.
Begeleiders ervaren het fenomeen dat cliënten soms aangeleerde vaardigheden weer vergeten zijn na bijvoorbeeld een vakantieperiode. Cliënten stellen zich afhankelijk op van begeleiders, die vervolgens als reactie hierop cliënten weer helpen hun probleem op te lossen.
Binnen deze ‘’aangeleerde hulpeloosheid’’ is kenmerkend de afhankelijkheid van cliënten van begeleiders en de ‘’zorg-reactie’’ van begeleiders hierop om het probleem voor de cliënt zo snel en zo goed mogelijk op te lossen.
De vraag die gesteld kan worden is of cliënten inderdaad zo ‘’hulpeloos’’ zijn, of dat dit een uiting is van een ingesleten omgangspatroon waarbij begeleiders op een rigide, ondoordachte manier op ‘’hulpvragen’’ van cliënten reageren.

 Kenmerkende aspecten van de Z!N gedachte  

Z!N is een denkwijze waarbij voorop staat de zelfstandigheid van mensen te vergroten. Deze zelfstandigheid is niet exclusief voor cliënten, maar geldt ook voor mensen in hun omgeving.

In deze benadering komt het accent meer te liggen op:
*     meer stilstaan en nadenken bij wat en hoe je iets doet
*     niet direct iets voorschrijven of voordoen, niet direct iets uit handen nemen van een
      ander
*     meer ruimte voor de ander creëren om zelfstandiger te kunnen worden
*     de ander beter in staat te stellen om meer en betere keuzes te kunnen maken.

 Verdere kenmerken die bij Z!N horen zijn: respect hebben voor de ander in zijn ‘’anders-zijn’’ geloven in en aansluiten bij de mogelijkheden van de ander; oog hebben voor beperkingen maar vooral de mogelijkheden van de ander accentueren mobiliseren van eigen oplossend vermogen ruimtelijke, materiële en technische voorwaarden creëren zodat de ander zo zelfstandig mogelijk keuzes kan maken en positieve ervaringen kan opdoen

Z!N is een benadering waarbinnen elementen van o.a. coaching, support, Eigen Initiatief Model, methodisch werken, etc. samengebundeld zijn.
Door de collectieve aanpak en scholing wordt het een onderliggend geheel van de begeleidingssystematiek die binnen Maeykehiem toegepast wordt.
Z!N is zo een verdere praktische vertaling van de Zorgvisie van Maeykehiem, waarin ‘’vraagsturing’’ en de ‘’cliënt centraal’’ gedachte verwoord zijn.
Uiteindelijk moet de koerswijziging niet langer een ‘’wijziging’’ zijn, maar de normale koers worden die we met elkaar willen gaan.

Z!N betekent niet dat iedere cliënt nu opeens zomaar zelf keuzes kan en moet maken. Het is geen truckje of een kant-en-klare zelfredzaamheidstraining. Z!N is een leerproces waarin primair de begeleider meer bewust wordt van eigen handelen en welke factoren belemmerend zijn voor cliënten om zelfstandiger te kunnen functioneren. Z!N is veel meer een attitudeverandering die als basis dient voor bewustwording en reflectie op eigen gedrag.

Projectorganisatie van Z!N

Het Z!N project is als volgt gestructureerd: Er is een stuurgroep welke gevormd wordt door de diensthoofden van wonen en dagbesteding. Er is een projectgroep welke bestaat uit waarnemend hoofd dagbesteding (voorzitter) en 6 medewerkers waarvan 3 uit wonen en 3 uit dagbesteding. Er zijn 6 coaches, waarvan 3 medewerkers uit wonen en ook 3 uit dagbesteding. Taak en rol van de Z!N coaches De 6 coaches kunnen medewerkers uit wonen en dagbesteding zijn. De taak van de coaches is om de voortgang van invoering van het Z!N-proces te ondersteunen. De leidinggevenden zijn eindverantwoordelijk voor de implementatie van Z!N binnen hun afdeling of dienst. De coaches kunnen medewerkers individueel en als team ondersteunen en helpen belemmeringen weg te nemen. De coaches hebben hierin ook een signalerende functie naar leidinggevenden toe. Coaches worden ingezet of afdelingen/groepen waar zij zelf niet als begeleider werkzaam zijn.

 Bron: www.maeykehiem.nl.

 

 - Heykoop Methode

Centraal in deze methodiek staat de term ‘anders kijken’. Dat betekent concreet kijken vanuit het perspectief van de verstandelijk gehandicapte zelf. Het doel van de methode is: haar/zijn zelfvertrouwen versterken  en de begeleiding onderling beter afgestemd laten handelen. Het probleemgedrag is daarbij niet beperkt tot de verstandelijk gehandicapte zelf, maar is een gegeven van het hele netwerk om de betrokkene heen: we maken er allemaal deel van uit en we lopen allemaal vast! Met behulp van video-opnamen wordt de problematische situatie of het ervaren probleemgedrag ‘verzameld’ en nauwkeurig bevraagd. Dit gebeurt aan de hand van hele directe en concrete vragen over wat we zien: ‘waar staat hij? / Welke plaats neemt hij in? / Waar kijkt hij naar/ Waar luistert hij naar? / Wat doet hij met zijn handen? / Hoeveel kracht zet hij? / Welke klanken en tonen gebruikt hij? / Wat zegt hij eigenlijk?’ etc. Deze observatie en bevraging gebeurt in een breed teamverband van direct en deskundig betrokken disciplines en verantwoordelijken (dus: de eigen ondersteuners aangevuld met gedragskundigen, arts, psychiater, etc., als een multidisciplinair verband). Stap voor stap wordt het probleemgedrag beoordeeld op mogelijke betekenissen in de concrete hier-en-nu situatie. Dat is ook de belangrijke betekenis van deze methodiek: de gerichtheid op de concrete problematiek zoals die door de omgeving wordt ervaren en waar de verstandelijk gehandicapte ook zelf in vastloopt. Heijkoop richt zich niet op de diagnostiek van de gehandicapte, maar op het scherper in beeld krijgen van het probleemgedrag in de praktijk van alledag. Deze focus is van belang om met name daardoor een beter beeld te krijgen van hoe wij als begeleiders handelen rondom het probleemgedrag. Dat maakt de methodiek ook tot een interactief proces dat verder kijkt dan een versimpeling in ‘oorzaak-gevolg’. Hij werkt dit concreet uit in verschillende onderdelen: 1) een beeld krijgen van de spannings-niveau’s; 2) het probleemgedrag als versterker van zichzelf (spiraalwerking); en 3) vier kernpunten voor de persoon zelf: vertrouwen, invloed op de omgeving, leren omgaan met probleemgedrag en emotioneel evenwicht. Deze vier gebieden vormen de basis voor een behandelplan. Een verbijzondering vindt plaats bij escalaties (incidenten), waarbij het proces van de escalatie zelf ook in beeld komt: fase 1: aanloop / fase 2: probleemgedrag / fase 3: herstel.

 

 - Validation

Dit is een zo praktisch mogelijke methode, in de jaren tachtig ontwikkelt door Naomi Feil  die verwant is aan de ROT, om de ouder wordende dementerende mens vanuit haar/zijn eigenheid kansen te bieden op het zo concreet mogelijk vasthouden van zelfstandigheid en eigen communicatiemogelijkheden. Het accepteren van en een respecterende houding jegens de ouder wordende medemens zoals deze zich presenteert is basisvoorwaarde. Daar horen alle bijkomende kenmerken bij! Desoriëntatie, terugkeer naar het verleden, fantasie, onbereikbaarheid, doen een beroep op een funderende ervaring van veiligheid. Er is aandacht voor de individuele situatie en voor de groepssituaties. Door zorgvuldig luisteren, (mee)kijken, volgen (oogcontact), lichaamssignalen leren lezen, e.d., komen de innerlijke belevingen beter in beeld en worden deze beter begrepen. De ondersteuner gaat dus mee terug in de tijd, mee in de verwoording van innerlijke ervaringen of verhalen, om de onderliggende thema’s uit het leven van deze persoon scherper te krijgen. Hierdoor ontstaan aanknopingspunten voor de inrichting van de eigen leefomgeving, veiligheid en vertrouwen, waardoor de betrokkene ook zelf beter in staat is daar meer eigenheid aan te ontlenen: minder spanningen, meer ervaren gevoel van welbevinden. Er zijn 4 centrale elementen:

1) de oudere mens heeft te maken met onopgeloste levensvragen, die uit de eigen  

    geschiedenis naar voren komen.

2) met behulp van Validation komen vier fasen van het ouder worden in beeld (verwarring,  

    verlies van tijdbesef, herhaalde bewegingen, isolement)

3) het gaat om een integrale (holistische) benadering van fysieke, psychische en sociale

    aspecten

 4) er wordt gebruik gemaakt van (non-/verbale) groepstechnieken 

 

- Active Support

Een in Engeland ontwikkelde methode vanaf de jaren tachtig (David Felce e.a.), die, zoals de naam al zegt, actief ondersteund in het ontwikkelen van en versterken van mogelijkheden van mensen met een (ernstige) verstandelijke beperking om zoveel mogelijk zelfstandig te doen. Daarin liggen overeenkomsten met bijv. Z!N. De methode doorbreekt het afhankelijkheidsdenken en probeert om de betrokkene meer tot eigen handelen te stimuleren op alle mogelijke gebieden van haar/zijn leven. Het is mogelijk om uit het traditionele zorgmodel te treden. De positieve gedragingen en handelingen van mensen wordt versterkt en er wordt tegelijkertijd structuur aangebracht in tijd en ruimte. Dat wil zeggen er wordt nadrukkelijk gekeken naar welke tijd waarvoor bij de betrokkene past en welke eigen ruimten iemand concreet nodig heeft. Daarmee ontstaan ook mogelijkheden om meer in de wijk te kunnen wonen, vanuit een community-care en burgerschapsdenken. Active Support biedt concrete handvatten om de structuur aan te brengen. Het bestaat uit drie deelgebieden: het invullen van de activiteiten (activiteitenplan), ondersteuningsplan en een duidelijk trainingsplan voor het bieden van de gevraagde ondersteuning. De indeling in activiteiten krijgt vorm en structuur in ‘vaste’ en ‘vrije’ momenten op de dag. De eigen noodzakelijke ruimten worden goed doordacht en ingevuld vanuit de ervaringswereld van de betrokkene zelf, in nauwe samenwerking met het eigen netwerk. Een ondersteuningsplan ontstaat op dezelfde wijze, waarbij het steeds gaat om heel concrete en praktische vaardigheden voor het leven van alledag. Nieuwe vaardigheden worden volgens plan stap voor stap uitgewerkt.

 

- Weerbaarheidstraining

De weerbaarheidstraining richt zich uitdrukkelijker op de vaardigheden van deelnemers om zichzelf concreet weerbaarder op te kunnen stellen tegenover de ander, zodat je geen slachtoffer wordt. Hier doelend op seksuele weerbaarheid bij intimidatie en (dreigend) misbruik. Training in weerbaarheid is dan vooral ook een vorm van preventie. Weerbaarheid wordt algemeen getypeerd als: “op een passende manier kunnen opkomen voor je eigen grenzen en behoeften en rekening kunnen houden met wensen en grenzen van anderen.

 De training is doorgaans opgebouwd uit ongeveer 10 bijeenkomsten, die een beperkte duur hebben. Concrete (ook fysieke) oefeningen, videomateriaal, rollenspel, opdrachten zijn gebruikelijke ingrediënten. De transfer van training naar alledaagse begeleiding moet vanaf het begin vorm krijgen. Het bepalen van de plaats van de training in het levensverhaal kan door middel van een duidelijke oriëntatie op de rol van seksualiteit in het leven van de deelnemer. Er wordt in de praktijk vaak gebruik gemaakt van de hermeneutische cirkel*. Niveaubepaling (sociaal-emotioneel, cognitief) ervaringen, netwerk, vrijetijdsinvulling, etc. kunnen zo een begin vormen van een op de persoon passende training. Dat maakt het niet eenvoudig om groepen te starten – daarin zal een goede afstemming moeten plaatsvinden. Er kan ook individueel gericht gewerkt worden en mogelijk kan er al op school een vorm voor gevonden worden (WIBO).

Verder is het van belang om duidelijke doelen te stellen en verwachtingen helder te krijgen. Werkvormen en opdrachten worden dan per training aangepast aan de gewenste doelen, de vragen van de betrokkenen en de mogelijkheden/beperkingen van hen. Transact biedt verder aanknopingspunten om een eigen programma op te stellen, voorwaarden en trainingsvaardigheden. Daarbij moet aandacht zijn voor het netwerk van de deelnemers en hun betrokkenheid. Overigens vindt men in de bundel van Transact een bron van materialen, verwijzingen en literatuur waaruit blijkt dat op dit terrein al veel is ontwikkeld.

 

- TA: Transactionele Analyse

In de ondersteuning van mensen met een verstandelijke beperking is de rond 1960 door Eric Berne ontwikkelde Transactionele Analyse een goede aanvulling. Hij typeert de menselijke manieren van zichzelf presenteren op drie belangrijke vormen:

Die als ouder (O), als volwassene (V) en als kind (K). Van elke vorm typeert hij de kenmerken en het belang van het je bewust worden in welke positie je jezelf bevindt.

Deze positie noemt hij de ‘egopositie’. Dit zijn dus geen ‘rollen’ die we spelen, maar vormen van hoe we onszelf vanuit onze eigenheid presenteren.

O: de positie zoals je die van je ouders hebt eigengemaakt, en die je uitlokt tot bijv. vaderlijk of moederlijk denken en handelen, cq. p/maternalistische vormen.

V: de egopositie waarin je je op een gelijkwaardige manier opstelt tegenover de ander, niet er boven, niet er onder, en je denkt en handelt vanuit een emotioneel en rationele balans.

K: je bevindt je in een egopositie waarin je je afhankelijk weet van anderen, uitgedaagd voelt, je in de ander een meerdere ervaart, etc.

Onwillekeurig nemen we steeds wel een van deze posities in. Dat betekent ook dat we de ander ook in een bepaalde positie benaderen.

Berne heeft een groot accent gelegd op groepsbenaderingen. Daarin komt de dynamiek van TA ten volle tot uitdrukking en ontstaat er een eigen relationeel patroon van denken en handelen waarin je het risico loopt om en jezelf en de ander klem te zetten. De meest gewenste benadering van volwassenen onder elkaar is die van gelijkwaardigheid, dus als V. Dit lukt niet vanzelfsprekend. Dat komt ook omdat we deze egoposities zich op een eigen unieke wijze (eigen levensscript) in ons leven ontwikkelt hebben en stevig opgeslagen hebben in ons geheugen. Deze posities ontwikkelen zich op basis van hun eigen behoefte. Dat maakt het lastig om de posities ook te onderkennen bij jezelf. Je benadert ook de ander in een bepaalde positie, of spreekt haar/hem daarop aan: je benadert de ander als ouder/volwassene/kind. Voor de mensen met een verstandelijke beperking is dat wezenlijk: zij staan in een eigen egopositie in de werkelijkheid. Zeker wanneer de sociaal-emotionele ontwikkeling zich in de eerste levensmaanden bevindt, is hun egopositie K. Wanneer de ondersteuners hen in plaats van K benaderen in hun O of V worden zij hierin overvraagd. De ondersteuner is voor deze betrokkene ook eerder een O dan een V, en zeker geen K. Het je realiseren van deze posities is dus van groot belang. Het wordt nog eens lastiger wanneer we in onze eigen beleving onze interne dialoog voeren tussen onze egoposities: mijn O en V en K communiceren onderling op grond van de verschillende ervaringen die ik heb opgedaan en die ik geneigd ben ook op anderen te projecteren. Het begrip Transactionele Analyse hangt samen met de transactie (de concrete en directe communicatie/handeling) die voortdurend plaats vindt tussen mensen. De analyse richt zich dan op het onderzoek naar de betekenis, of metacommunicatie, in deze transactie. Het helpt vervolgens om de juiste egopositie in te kunnen nemen t.o.v. de ander. Het doel van de TA is in algemene zin het versterken van de autonomie van iedere betrokkene in de communicatie. Autonoom denken en handelen is vooral merkbaar in het hier en nu. Dat maakt de toepassing concreet en direct.

 

- Hermeneutische benadering

Hermeneutiek betekent: de kunst van het uitleggen van teksten. Als methode richt men zich op het begrip krijgen van het verhaal van de ander: de mens als ‘tekst’ met een eigen taal! Daarbij gaat het om een zeer persoonlijke manier van begrijpen, die verder probeert te gaan dan een verstandelijk snappen van gedrag in termen van oorzaak en gevolg.

Gedrag wordt gezien als een vorm van betekenisverlening. Ieder mens geeft op een unieke persoonlijke manier betekenis aan het leven en de wereld om zich heen.

Deze betekenisverlening wil ook gedeeld worden en niet in zichzelf gesloten blijven: het levensverhaal wil gekend zijn. Deze benadering heeft van oorsprong theologische en filosofische bronnen, maar is intussen breder toegankelijk gemaakt voor begeleiding en (psycho)therapie. De hermeneutische benadering typeert gedragsproblemen vooral als interactieproblemen tussen de mens en zijn omgeving. Ofwel: er is een communicatie- of begripsprobleem, mensen begrijpen elkaar niet (meer), misverstanden: er is een ‘misverstaan’ van betekenissen. Deze benadering wil geen strikt voorgeprogrammeerde methodiek zijn! Het gaat om het hanteren van een aantal funderende regels om de ander te begrijpen, te kunnen ‘lezen’ en duidelijker te krijgen waarom er dingen mis gaan.

Deze regels vormen samen een ‘bril’ van waaruit de ander in beeld komt:

1) Tekst in context: de mens is en heeft een eigen verhaal, maar juist ook in een eigen context – het ene is niet los te krijgen van het andere. Zo is de probleembeleving van de jongere zelf vaak nogal afwijkend van hoe de omgeving deze beleeft. Het begrijpen hiervan zal eerst en vooral vanuit het perspectief van de jongere moeten gebeuren. De jongere heeft een eigen belevingswereld, een eigen taal, situatie en levensgeschiedenis. Hoe geeft zij/hij daar vorm aan? Waar gaat het mis, waar ontstaat de ontwrichting?

2) Archeologie: er zal intensief gespeurd moeten worden naar de scherven die de schaal vormen. D.w.z. op zoek naar de specifieke momenten en gebeurtenissen die bepalend zijn voor de verstoorde betekenisverlening. Deze momenten (‘hermen’, piketpaaltjes) vormen de verwijzers naar wat echt van belang is en biedt kansen om tot een beter begrip van de ander te komen. Hier gaat het om het verband tussen het geheel en de delen van een verhaal.

3) Beeldcommunicatie: we kunnen gebruik maken van de concrete en emotionele expressies, uitingen in alle vormen en kleuren die zichtbaar zijn. Deze dienen als bron van om de eigen taal te gaan zien: wat zien, horen en lezen we eigenlijk? Tekeningen, verhalen, gedrag – ze vormen één geheel aan betekenissen! Deze elementen vormen de kern van de zgn. hermeneutische cirkel van het begrijpen. Dat wil zeggen: een poging om tot wederzijds begrip te komen, een uitwisseling van verhalen, van ervaringen, van beelden en vormen. Dit lukt echter pas wanneer we als deelnemers bereid zijn om in de schoenen van die ander te gaan staan en het perspectief van die ander als uitgangspunt te nemen. Dit verwisselen van ‘bril’ betekent ook het verhelderen van de eigen bril! De eigen vooronderstellingen moeten niet alleen duidelijk en gereflecteerd worden, maar ook even op een zijspoor worden gezet – het is namelijk de ander die het mij mogelijk maakt tot begrip te komen en pas in 2e instantie mijn eigen visie en kleur. In deze 2e instantie spelen dan de theoretische kennis en ervaring over de ontstane problemen een rol in de interpretatie en begeleiding.

Bron: www.methodieken.nl

 

 - RADAR.

RADAR staat voor Registratie Agressie Diagnostiek Analyse Risico’s. Hiervoor zijn
op inductieve wijze assertiviteit - en agressie gebieden onderscheiden, die zijn
onderverdeeld in vier niveaus. Bij elk niveau hoort een cluster van bijbehorende
resultaten en interventies. De RADAR kan als uitgangspunt dienen bij het
beantwoorden van de vraag hoe je moet handelen bij agressie en geweld.

De doelstellingen die met de Radar methode kunnen worden bereikt zijn:
1. éénduidige communicatie en begrippenkader over agressie en geweld;
2. professioneel instrument voor risico inventarisatie ARBO artikel 3 (RIE);
3. gestandaardiseerde registratie van (agressief) gewelddadige incidenten;
4. preventie van agressie en geweld bewerkstelligen;
5. selecteren van het meest adequate handelen in ongewenste situaties;
6. professionele collegiale opvang na ernstige incidenten
7. bepalen van de behoefte aan deskundigheid voor beroepsbeoefenaren;
8. hulpmiddel voor educatie van alle betrokkenen 

 Bron: www. Leo.nl

 

- Picto

Wij gebruiken van de Picto’s de Pictogenda het meest, dit is een agenda voor mensen die moeite hebben met lezen, schrijven en/of praten. De tekst is vervangen door pictogrammen:

- de zondag is bijvoorbeeld een zonnetje,

- december een kerstboom 

- en de tijden zijn vervangen door lege klokken waarop je zelf de wijzers kunt tekenen .

 Achterin de agenda zijn bovendien meer dan 240 stickerpictogrammen opgenomen die je zelf in je agenda kunt plakken. De pictogrammen zijn ingedeeld in 12 verschillende categorieën, zoals school, sporten en vrijetijdsbesteding. Ieder jaar komen er nieuwe pictogrammen bij.

 Wat heb je aan de Pictogenda?
De Pictogenda is in de eerste plaats bedoeld als communicatiemiddel.
Met behulp van de agenda kun je makkelijk communiceren met mensen in je omgeving over alledaagse gebeurtenissen, activiteiten en afspraken. Je kunt veel beter duidelijk maken wat je bedoelt en je omgeving kan dat omgekeerd ook aan jou.

Zelfstandigheid
De Pictogenda stelt je in staat een zelfstandiger leven te leiden. De agenda is een belangrijk houvast, omdat je er alle informatie over je dagelijks leven in vast kunt leggen en weer op kunt zoeken. Je hoeft dus minder vaak een beroep te doen op je omgeving.

 Voor wie is de Pictogenda geschikt?

De Pictogenda is geschikt voor iedereen die zich moeilijk verstaanbaar kan maken, moeite heeft met lezen en schrijven en/of gebeurtenissen in de tijd te overzien.

De Pictogenda wordt dan ook al jaren met veel succes gebruikt door:

  • mensen met een verstandelijke beperking
  • mensen met een stoornis in het autistische spectrum
  • mensen met spraak- en taalproblemen
  • doven en slechthorenden
  • kinderen in het speciaal onderwijs

Bron: http://www.pictogenda.nl/secties/pictogenda2006/agenda/agenda.asp?rubriek=voor_wie

 

Dit zijn de methodes/methodieken die wij op Maeykehiem het meest gebruiken.

Doordat ik me hier nu bewust van ben is het voor mij gemakkelijker geworden om over het methodisch handelen op maeykehiem te praten.

Ik vind het erg jammer dat maeykehiem het personeel niet meer richt op de methodes en methodieken die er gebruikt worden.
Dit is voor mij misschien een goede kans om doormiddel van een opdracht iedereen er op maeykehiem bewust van te maken waar we mee werken.

 

 Uiteindelijke conclusie en reflectie.

 Leerdoel 1:

 Ik weet met welke methodes we werken op Maeykehiem en ik wat deze  

  inhouden.

Stappen die ik ondernomen heb om mijn leerdoel te behalen:

-          Ik ben op mijn eigen groep op Maeykehiem gaan zoeken naar informatie over methodes en methodieken binnen Maeykehiem.

-          Ik ben in de zorgplannen van de bewoners gaan kijken om te zien of daar ook wat wordt vermeld over methodes en methodieken.

-          Ik heb moduulopdracht A uit moduul 2.1 erbij gepakt, hier moesten we uitzoeken welke methodes en methodieken er binnen Maeykehiem worden gebruikt.

 Feedback collega’s:

 

Ik heb onderzoek binnen Maeykehiem gedaan naar de methodes en methodieken. Waarschijnlijk zijn dit bijna alle methodes die we binnen de instelling gebruiken. Op andere groepen kunnen ze misschien nog wel eens een andere methode gebruiken die ik nu niet benoemd heb maar dat kan ik in de toekomst altijd nog onderzoeken want er zullen in de loop van de jaren nog wel meer methodes bij komen.

Ik heb de methodes goed bestudeerd, daarna ben ik eerst gaan kijken welke methodes wij ook daadwerkelijk op de groep gebruiken. Ik wilde weten of ik dit ook kon herkennen in het werk. Mijn mening is hierover dat ik vind dat we weinig met methodes werken op de groep. Ook kun je hier op de groep weinig over de methodes en methodieken vinden. Ik ben er ook achter gekomen dat de orthopedagogen wel veel werken met methodes en methodieken.

Ik hier veel van geleerd. Door het te onderzoeken ben je veel met de methodes en methodieken bezig. Ik heb nu echt een goed beeld van de methodes die er allemaal gebruikt worden op Maeykehiem. Ik ben blij dat ik dit leerdoel voor mezelf heb opgesteld, als er nu mensen op het werk over methodes en methodieken praten, weet ik precies wat het inhoudt en ben ik goed op de hoogte. Ook kan ik nu met ideeën komen om een bepaalde methode te gaan uitproberen.

 

 

Leerdoel: Behaald!

 

 


 

Leerdoel 2

 Ik ken de culturele identiteit van mijn cliënten

 Wie ben ik/waar sta ik (huidige situatie)?:

Sinds augustus 2008 zijn alle groepen op Maeykehiem opnieuw samengesteld. Alle groepen zijn door elkaar gehaald om een goede combinatie van groepen te maken. Sinds augustus werk ik dus op mijn nieuwe groep. Twee van de zes bewoners ken ik redelijk goed. Echter weet ik bijvoorbeeld van hun al niet wat hun geloof is. Ook weet ik niet wat er allemaal bij dit geloof komt kijken. Nu weet ik dat er op de groep weinig aan het geloof wordt gedaan. We bidden wel met het eten maar voor de rest wordt er niet veel mee gedaan.

Ik weet bijvoorbeeld wel dat 1 cliënt Jehova getuige is maar wat dit precies in houdt, wat voor feestdagen hier bij horen, ik heb geen idee.

 Waar wil ik naartoe? En waarom?

Ik wil er dus achter komen wat voor geloven de cliënten hebben en ik wil zien wat voor speciale dingen hier bij horen zoals feestdagen, tradities etc. Als ik dit heb onderzocht, kan ik er binnen de groep misschien iets mee gaan doen. De cliënt die Jehova getuige is heeft het er bijvoorbeeld vaak over dat ze geen Sinterklaas en Kerst viert, dan ben ik wel heel erg benieuwd wat ze wel viert en of ik hier iets in kan betekenen voor haar.

 Hoe kom ik daar? (actieplan)

In de zorgplannen van de cliënten staat wat het geloof is van alle cliënten, deze ga ik opzoeken. Verder ga ik ze uitwerken en ik ga me er in verdiepen. Op deze manier weet ik waar de bewoners in geloven en of er ook speciale feestdagen of iets dergelijks zijn waar de cliënten waarde aan zouden kunnen hechten.

Op welke manier maar ik resultaten zichtbaar?

Ik werk de verschillende geloven uit en verdiep me hier in.

Uitwerking en resultaten

 Leerdoel 2

 Ik ken de culturele identiteit van mijn cliënten

 Geloof 1: Jehova getuigen.

 De Jehova’s getuigen.

De Jehova's getuigen, ook wel gespeld als Jehovagetuigen of Jehovah's getuigen, zijn leden van een fundamentalistische en millennianistische stroming die zichzelf als christelijk beschouwt maar door vrijwel alle christelijke kerken niet als zodanig wordt erkend. Hun kerkgenootschap wordt aangeduid als Jehovah's Getuigen (met een h), maar heet in werkelijkheid Wachttoren- Bijbel en Tractaatgenootschap. Men treedt toe tot de gemeenschap door volledige onderdompeling (doop) op (bijna) volwassen leeftijd; de getuigen kennen geen kinderdoop.

Jehova's getuigen geloven dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God is. Zij beschouwen de 66 boeken van de protestantse canon als door God geïnspireerd en als absolute waarheid. Bij interpretatie ervan hanteren zij het principe: letterlijk waar mogelijk, symbolisch waar het niet anders kan. De getuigen geloven in een vrij letterlijke versie van het scheppingsverhaal in Genesis, met dat verschil dat de "dagen" van de schepping worden beschouwd als perioden van duizenden jaren. Op basis hiervan kunnen ze worden geclassificeerd als Oude-aardecreationisten. Ook de wonderen in de Bijbel worden beschouwd als historische feiten.

Jehova's getuigen zijn een eindtijdbeweging, dat wil zeggen: zij geloven dat de mensheid zich in de "eindtijd" bevindt, de laatste fase voor het ingrijpen door God met als doel de aarde te zuiveren van alle goddeloosheid. Ze geloven dat Jezus' koninkrijksmacht in 1914 is gestart en dat het eind van 'het samenstel van dingen' (in andere vertalingen 'de wereld') nabij is. Hier doelen zij op de huidige systemen waaronder mensen leven en die dus de maatschappij ordenen.

De beweging werd eind 19e eeuw in de Verenigde Staten als de Bijbelonderzoekers gestart door Charles Taze Russell.

 Jehova's getuigen in Nederland

Hoewel Russell Nederland in 1891 had bezocht tijdens een rondreis door Europa, duurde het nog twintig jaar voordat de eerste handvol volgelingen zijn geschriften regelmatig gezamenlijk besprak. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren er twee kleine groepjes 'Bijbelonderzoekers' in Nederland, namelijk in Rotterdam en Amsterdam. In 1918 deden zij een poging drie nummers van De Wachttoren uit te geven, maar hiervoor bleek onvoldoende animo.

 Jehova God

Jehova's getuigen geloven in een almachtige God. De term 'God' beschouwen zij echter als een titel, dus heeft God ook een naam: Jehovah (wat dus afwijkt van de Nederlandse spellingsregels, die Jehova voorschrijven). Het gebruik van deze naam benadrukt voor Jehova's getuigen de uniekheid van de God van de Bijbel. Jehovah is de naam die ontstaan is door klinkers toe te voegen aan het Hebreeuwse tetragrammaton JHWH. Hoewel de Getuigen zich ervan bewust zijn dat de exacte uitspraak van de naam verloren is gegaan, plaatsen zij deze naam in de door henzelf uitgegeven Nieuwe-Wereldvertaling bijna 7000 keer op plaatsen waar het tetragrammaton staat in het Oude Testament en zelfs op de plaatsen waar het Griekse woord 'Kyrios' (Heer) staat in het Nieuwe Testament. De Getuigen hechten sterk aan het gebruik van de naam. De alternatieve uitspraak 'Jahwe' wordt (vrijwel) niet gebruikt door de Getuigen.

 Jezus Christus

De Getuigen geloven dat Jehova de schepping van het universum heeft verricht, waarbij hij eerst Jezus (in zijn voormenselijke gedaante) schiep en de rest van de schepping liet verlopen door bemiddeling van Jezus.

Jezus Christus is Gods zoon, maar maakt geen deel uit van een Drie-eenheid. Hij is het hoogste schepsel en wordt beschouwd als dezelfde persoon als de aartsengel Michaël. "Hij is de op één na hoogste persoon in het universum." Ze geloven "dat hij een voormenselijk bestaan heeft gehad en dat zijn leven vanuit de hemel werd overgebracht naar de schoot van een maagd, Maria". "Deze Zoon is door Jehova naar de aarde gezonden om zijn leven als losprijs voor de mensheid te geven en aldus de weg tot eeuwig leven te openen voor diegenen van Adams nageslacht die geloof zouden oefenen. Deze zelfde Zoon, die weer tot hemelse heerlijkheid is verhoogd, regeert thans als Koning," "met de autoriteit die God hem sinds 1914 gegeven heeft", "om alle goddelozen te vernietigen en zijn Vaders oorspronkelijke voornemen met betrekking tot de aarde te verwezenlijken.". De Getuigen geloven dat de antichrist er al is en uit meer dan 1 persoon bestaat

Bijbel

Jehova's getuigen geloven dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God is. God heeft de boodschap aan mensen gegeven zoals een zakenman een secretaresse dicteert[4]. Het principe dat bij interpretatie wordt gehanteerd is: letterlijk waar mogelijk, symbolisch waar het niet anders kan.

De verhalen worden opgevat als werkelijke en accurate geschiedenis, inclusief het scheppingsverhaal en de wonderen. "De historiciteit ervan in twijfel trekken, betekent alle wonderen uit de bijbel in twijfel trekken, met inbegrip van de opstanding van Jezus Christus zelf. En de opstanding van Jezus loochenen, betekent het christelijke geloof in zijn totaliteit loochenen". De Getuigen beschouwen de historisch-kritische methode (die zij consequent "hogere (bijbel)kritiek" noemen) derhalve als grote vijand.

Omdat de reeds bestaande Bijbelvertalingen "werden vervaardigd door geestelijken en zendelingen van religieuze sekten van de christenheid, en hun vertalingen in mindere of meerdere mate werden beïnvloed door de heidense filosofieën en onschriftuurlijke overleveringen die hun religieuze stelsels van het verleden hadden geërfd, alsook door de neiging tot hogere kritiek", hebben zij een eigen vertaling vervaardigd: de Nieuwe-Wereldvertaling [6]. De Nieuwe-Wereldvertaling is vertaald vanuit de grondtekst van Rudolf Kittel (Oude Testament) en Westcott en Hort (Nieuwe Testament), waarbij de oorspronkelijke tekst eerst naar het Engels is vertaald en daarna uit het Engels naar het Nederlands.

Ziel, opstanding en dood

Jehova's getuigen geloven niet dat de mens een onsterfelijke ziel heeft die voortleeft na de dood. Uit het gebruik van de oorspronkelijke termen voor ziel in het Hebreeuws en Grieks maken Jehova's getuigen op "dat de ziel een persoon of een dier is of het leven dat een persoon of dier bezit". Zij beschouwen de opvatting als zou de ziel iets onstoffelijks zijn als on-Bijbels.

Volgens de Getuigen houdt een persoon op te bestaan bij de dood, totdat een (eventuele) wederopstanding de persoon weer tot leven brengt. Hierin onderscheiden zij twee soorten:

  • een hemelse opstanding voor 144.000 gezalfde christenen en
  • een aardse opstanding voor de rest van de gestorven mensheid.

Ze geloven dat de hemelse opstanding heeft plaatsgevonden sinds 1918[12] en de aardse opstanding nog in de toekomst ligt, namelijk wanneer Jezus het Paradijs op aarde herstelt.

Jehova's getuigen geloven niet in een hel in de gedachte van hitte of pijniging. Wanneer de Bijbel de term 'Hades' of 'Sjeool' gebruikt, geloven Jehova's getuigen dat de overledenen vanuit deze figuurlijke plaats een opstanding krijgen. Van een ander deel van de mensheid geloven Jehova's getuigen dat zij geen opstanding krijgt, waarbij aan verstokte kwaaddoeners moet worden gedacht zoals Judas Iskariot. Deze bevinden zich in 'Gehenna' vanuit waar geen opstanding mogelijk is.

Getuigeniswerk

"Het meest opvallende kenmerk van de Jehova's getuigen is hun prediking. Deze evangelisatiearbeid dient door iedere Jehova's Getuige te worden verricht en vormt het meest essentiële onderdeel van hun godsdienstige identiteit. Het is een religieuze plicht, hen door zowel Jezus Christus als door Paulus opgelegd (Matth. 24:14, 2 Tim. 4:2). Wie niet predikt, is geen Jehova's Getuige, aldus de logische consequentie van de eerder genoemde definitie die ze van zichzelf geven. Een niet-evangeliserende gelovige vormt 'geen deel van de organisatie' en 'heeft Christus niet lief', waarmee wordt aangetoond dat eventuele overige indicaties van religieuze toewijding voor een belangrijk gedeelte ondergeschikt zijn aan de predikingsactiviteit (w:1/8/68). Het verkondigen van het 'Goede Nieuws' vindt hoofdzakelijk plaats via huis-aan-huis prediking, de zogenaamde velddienst."  Tijdens de huis-aan-huis prediking, bieden de Jehova's getuigen Bijbelstudie aan.

 Feestdagen en gebruiken

De enige religieuze feestdag die Jehova's getuigen collectief vieren, is de herdenking van de dood van Jezus (de Gedachtenisviering); de dag waarop dit gevierd wordt, wordt vastgesteld aan de hand van de traditioneel Joodse kalender.

Jehova's getuigen vieren de meeste christelijke en andere feestdagen niet, omdat deze van heidense oorsprong worden beschouwd. Zo vieren ze geen Kerstmis vanwege de relatie met de saturnaliën, het Paasfeest vanwege vruchtbaarheidssymbolen als hazen en eieren, Halloween vanwege het feit dat het feest oorspronkelijk was om boze geesten te verdrijven, etc.. Het verbod op de viering van verjaardagen stamt uit het jaar 1920. Destijds was de aangevoerde reden voor het verbod de nadruk op het individu; inmiddels is dit uitgebreid met verwijzingen naar de onthoofdingen die plaatsvonden op de verjaardagen die vermeld worden in de Bijbel. Ook vieren de Jehova's getuigen geen verjaardagen, omdat ze het zien als verering van de jarige.

Bloedtransfusies en vaccinaties

Jehova's getuigen weigeren bloedtransfusie. Hierbij beroepen zij zich onder andere op de passage in Handelingen 15:28, 29: "Want het heeft de heilige geest en ons goedgedacht U geen verdere last toe te voegen dan deze noodzakelijke dingen: U te blijven onthouden van dingen die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht en van bloed en van al wat verstikt is en van hoererij."

(Gedoopte) Getuigen worden geacht steeds een document bij zich te hebben waarin ze verklaren geen bloedtransfusies bij hun behandeling te aanvaarden. Hierin beroepen zij zich onder andere op het recht van zelfbeschikking en het recht van de patiënt op het weigeren van een behandeling. Het Wachttorengenootschap schrijft voor dat transfusies van vol bloed en bepaalde bestanddelen van bloed (plasma, erytrocyten, leukocyten, trombocyten) niet acceptabel zijn (op straffe van uitsluiting). Op het accepteren van andere bestanddelen (zoals albumine) is geen sanctie van toepassing; er is een lijst van de bestanddelen die de Getuige mag accepteren zonder dat sancties volgen. Dit wordt vastgelegd in het document zoals hiervoor genoemd.

De placenta wordt gehanteerd als norm om vast te stellen wat wel en wat niet acceptabel is: alles wat door de placenta gescheiden wordt gehouden, is niet acceptabel als het gaat om transfusies of gebruik in medicijnen. Alles wat door de placenta van de moeder naar het kind (en omgekeerd) kan gaan is wel acceptabel.

Ten onrechte wordt soms gedacht dat de Getuigen altijd vaccinaties weigeren. Hoewel dit voorheen wel het geval was, is dit een inmiddels tientallen jaren geleden verlaten standpunt. Het accepteren van vaccinaties is een vrije keus, waarbij ieder lid wordt geacht te handelen naar zijn of haar eigen geweten. Echter, omdat bepaalde vaccinaties ook fracties van bloedbestandelen bevatten, weigeren sommige getuigen op grond hiervan heden ten dage nog steeds vaccinaties.

Uiteindelijk wordt het aan de individuele getuigen overgelaten om zelf te bepalen welke medische behandelingsmethoden acceptabel zijn en welke niet (behalve bij bloedtransfusie).

Sociaal isolement

Sociale contacten buiten de groep worden afgeraden, en waar ze wel plaatsvinden, gezien als mogelijkheden tot prediking. Zo wordt het bijvoorbeeld ten strengste afgeraden om buiten de groep te trouwen (hoewel er geen sancties op staan als een Getuige dit toch doet). Dit maakt de leden sociaal erg afhankelijk van de lokale groep.

Kinderen van Jehova's getuigen hebben het soms moeilijk doordat hun gedrag stuit op onbegrip en soms zelfs intolerantie van anderen. Ze vallen op doordat ze bijvoorbeeld geen verjaardagen of Sinterklaas vieren en hun ouders vergezellen bij het van-huis-tot-huis werk. Dit kan er toe leiden dat ze slachtoffer worden van pesten en treiteren.

Sociale contacten hebben Getuigen voornamelijk binnen hun lokale groep. Als een lid wordt uitgesloten (geëxcommuniceerd) valt de groep weg (Getuigen mogen niet spreken met uitgeslotenen) en daarmee vaak het volledige sociale netwerk. Deze regels zijn ook van toepassing op familieleden. Jehova's getuigen mogen niet met buitenshuiswonende uitgesloten familieleden omgaan, tenzij het om 'noodzakelijke familieaangelegenheden' gaat (volgens een richtlijn uit 1981). Degenen die vrijwillig uit de organisatie stappen, worden teruggetrokken genoemd; op hen zijn dezelfde regels van toepassing als op uitgeslotenen[16]. Dit is een machtig wapen dat (volgens critici en ex-leden) - ook als dreigmiddel - veelvuldig wordt gebruikt om kritische leden de mond te snoeren. Volgens de organisatie zelf is het een noodzakelijk middel om de "geestelijke reinheid" van de gemeenschap te bewaren en om een onberouwvolle zondaar tot inkeer te brengen.

Nadruk op de prediking

Prediking is voor alle leden verplicht en wordt door veel mensen aangeduid als "langs de deuren gaan". Bekend zijn de aanbellende Jehova's getuigen die vragen of ze "even met u over God en de Bijbel mogen praten". Hoewel "de voet tussen de deur zetten" slechts spreekwoordelijk is, wekt het "langs de deuren gaan" vaak ergernis op.

Naast het gedwongen karakter van de prediking, is er ook kritiek op het exclusieve karakter ervan als "dienst". In De Wachttoren wordt het van-huis-tot-huis werk "de apostolische methode" genoemd waarvoor "geen vervanging" is[17]. Tegenstanders van deze aanpak wijzen erop dat er geen enkel verslag in de Bijbel staat van Jezus of een apostel die van deur tot deur gaat ter evangelisatie, maar wel van spreken in tempels, op openbare pleinen en in particuliere huizen van mede-christenen.

 Bloedtransfusie

Een mediagevoelige kritiek betreft het verbod op bloedtransfusies, vooral wanneer het kinderen betreft die zelf nog geen keuze kunnen maken. Zowel inhoudelijk is er kritiek op die leer als op de inconsistenties ervan. Een bekend voorbeeld van inconsistentie in dit verband is het standpunt tegenover bloedplasma. Bloedplasma bestaat voor ongeveer 92 procent uit water; de rest bestaat uit kleine bloedbestanddelen zoals globulines, fibrogenen en albumine. Elk van deze bestanddelen afzonderlijk wordt beschouwd als een zaak van het persoonlijke geweten van de getuige, maar een transfusie van deze componenten in samengevoegde vorm (dus als bloedplasma) is een grondslag voor excommunicatie (uitsluiting).

Zoals uit bovenstaand voorbeeld blijkt, wordt het verbod ook toegepast op bloedbestanddelen en zijn transfusies van witte of rode bloedlichamen verboden. Maar andere componenten worden wel toegestaan (zoals de genoemde kleine bloedbestanddelen ofwel bloedfracties). Critici wijzen vaak op het in hun ogen arbitraire karakter van de samenstelling van categorieën van verboden en toegestane bestanddelen.

Bloedschuld

Omdat bepaalde regels binnen deze organisatie in de loop der jaren zijn aangepast (op sommige punten versoepeld), is het mogelijk dat er in het verleden fatale beslissingen zijn opgelegd door groepsdruk, die nu door nieuwe interpretatie ("nieuw licht") tot een andere situatie zouden kunnen leiden. Een voorbeeld hiervan zijn sterfgevallen die voortvloeiden uit de weigering van orgaantransplantaties vanwege het verbod hierop (orgaantransplantaties worden in de huidige interpretatie aan het eigen geweten overgelaten, maar waren voorheen grondslag voor uitsluiting). Sommigen beweren om deze reden dat het Wachttorengenootschap zich hierdoor in zekere zin bloedschuld op de hals heeft gehaald.

 

Geloof 2: Gereformeerd

 Geschiedenis

In 1571 werd in de Oost-Friese stad Emden de Nederduits Gereformeerde Kerk (NGK) gesticht. Deze verkreeg aanhang in de gehele Nederlanden: het huidige Nederland, Vlaanderen, en in Oost-Friesland en de Graafschap Bentheim in het huidige Duitsland. In de Tachtigjarige Oorlog werd het de publieke kerk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In de Zuidelijke Nederlanden, die niet door de Republiek werden beheerst (Vlaanderen, Brabant, het huidige Limburg, Waalse gebieden), werden aanhangers streng vervolgd, wat een vluchtelingenstroom naar het Noorden op gang bracht. De Waalse vluchtelingen stichtten hun eigen Waalse kerken, waar Frans de voertaal was. Deze Waals-gereformeerden onderscheidden zich zo van de Nederduits-gereformeerden, die Nederduits (Nederlands) als voertaal hadden.

In de 17e en 18e eeuw ging een deel van de gereformeerden mee in een zogenoemde Nadere Reformatie, een vroomheidsbeweging die nadruk legde op het zo strikt mogelijk volgen van de kerkelijke leer. Een groot deel volgde echter deze beweging niet. Hierdoor ontstonden binnen de NGK grote verschillen in opvattingen en levenshouding, die enkel vanwege het sterk decentrale karakter van de kerk (plaatselijke gemeenten waren grotendeels zelfstandig) overbrugbaar waren.

De nieuwe Nederlandse Hervormde Kerk is veel centralistischer dan haar voorganger. Hoewel formeel in de Franse tijd de scheiding tussen kerk en staat is doorgevoerd, en in de grondwet vrijheid van godsdienst wordt beleden, bemoeide juist koning Willem I zich erg veel met godsdiensten in het algemeen en de NHK in het bijzonder. De nieuwe kerkorde uit 1816 schept dan ook veel onrust in sommige plaatselijke gemeenten, met name vanwege het centralisme. Dit leidt uiteindelijk tot de Afscheiding van 1834 onder leiding van ds. Hendrik de Cock. De afgescheidenen worden in de eerste jaren actief door de staat vervolgd. Pas als in 1840 Willem I terugtreedt wordt dit minder. Met de invoering van een liberale grondwet in 1848 stoppen de vervolgingen.

 Hoofdstromingen

In de 21e eeuw is het gereformeerd protestantisme in Nederland, dat ongeveer 20% van de Nederlandse bevolking aanhangt, globaal in vijf groepen te onderscheiden, verdeeld over de volgende kerkgenootschappen:

  • Protestantse Kerk in Nederland
    • Vereniging van Vrijzinnige Hervormden (in NHK)
    • Remonstrantse Broederschap

Vrijzinnigen waren in de negentiende eeuw een belangrijke groep binnen de Nederlandse Hervormde Kerk (zo'n kwart van de leden). Vooral in Groningen, Drenthe en Noord-Holland was hun aandeel erg groot. Door ontkerkelijking is deze groep echter steeds verder gemarginaliseerd, waardoor thans minder dan 10% van de Protestantse Kerk in Nederland tot de vrijzinnigen gerekend kan worden. De Remonstrantse Broederschap is wel een volledig vrijzinnig kerkgenootschap. Vrijzinnigen vormen geen eenheid en zijn politiek en maatschappelijk in de meest uiteenlopende partijen en organisaties actief. In de negentiende eeuw is de vrijzinnigheid - toen ook wel 'moderne theologie' genoemd - sterk gestempeld door het werk van de theologen Johannes Henricus Scholten en C.W. Opzoomer. Het is sinds die tijd niet meer gebruikelijk om de vrijzinnig-protestanten het etiket 'gereformeerd' te geven.

 Midden-orthodoxie:

    • Protestantse Kerk in Nederland (v/m Nederlandse Hervormde Kerk)

De midden-orthodoxie vormde de hoofdstroming in de Nederlandse Hervormde Herk. De midden-orthodoxen en de modern-gereformeerden (zie onder) zijn de motor geweest achter de kerkfusie tot de Protestantse Kerk in Nederland. De Nederlandse Koninklijke familie, sterk verbonden met de Nederlandse Hervormde Kerk, behoort tot de hervormde midden-orthodoxie, hoewel koningin Juliana eerder vrijzinnig was. Deze groep is politiek vooral sterk aanwezig in het CDA. Kinderen gaan meestal naar protestants-christelijke scholen. De term midden-orthodoxie is voor het eerst gebruikt door de theoloog Hendrikus Berkhof.

  • Modern-gereformeerden:
    •          Protestantse Kerk in Nederland (v/m Gereformeerde Kerken in Nederland)
    •          Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland

"Modern-gereformeerd" is een benaming die gebruikt wordt voor die gereformeerden (met name uit de Gereformeerde Kerken in Nederland) die in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw geprobeerd hebben de gereformeerde orthodoxie aansluiting te laten vinden bij maatschappelijke ontwikkelingen. Oorspronkelijk bestond de categorie "modern-gereformeerd" niet; tot ca. 1970 behoorden de Gereformeerde Kerken in hun geheel nog tot de "orthodox-gereformeerden". De Gereformeerde Kerken vormden het hart van de orthodoxe gereformeerde zuil en kenden nauwe banden met de Vrije Universiteit Amsterdam, Scholen met den Bijbel, de NCRV, dagblad De Standaard (later Trouw) en de Anti-Revolutionaire Partij.

De Gereformeerde Kerken, het grootste kerkverband in de gereformeerde gezindte, werden lange tijd gekenmerkt door het klassiek gereformeerde belijden in neo-calvinistische zin. Zij beschouwden zich als de meest Ware Kerk van Christus en hadden een gesloten, rationalistisch en streng karakter. De orthodoxe theologische opvattingen van Abraham Kuyper, Herman Bavinck en - later - G.C. Berkouwer zetten een stempel op het kerkelijke leven en denken binnen de Gereformeerde Kerken. Onder invloed van meer eigentijdse theologische opvattingen (onder meer uitgedragen door de invloedrijke VU-hoogleraar Harry Kuitert en de Leidse studentenpredikant Herman Wiersinga) is na 1970 voor de hoofdstroom binnen de Gereformeerde Kerken de term "modern-gereformeerd" in zwang gekomen. Een stroming die moeite met deze veranderingen heeft is het 'Confessioneel Gereformeerd Beraad'.

De orthodox-gereformeerden vormen de hoofdstroming in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerde Kerken en ongeveer de helft van de leden binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (de andere helft kan tot de bevindelijk-gereformeerden gerekend worden). Deze drie kerken werken steeds nauwer samen, en verwacht wordt dat zij op termijn wellicht tot fusie zullen overgaan (op plaatselijk niveau is dat soms al het geval). Een deel van de vrijgemaakten heeft zich in 2003 uit protest tegen deze samenwerking afgescheiden in de Gereformeerde Kerken (hersteld), een vrij gesloten kerkgenootschap. Binnen de Protestantse Kerk in Nederland kunnen de leden van de 'Confessionele vereniging' (ontstaan in NHK) en het 'Confessioneel Gereformeerd Beraad' (ontstaan in de GKN) tot de orthodox-gereformeerden gerekend worden. De orthodox-gereformeerde theologie en maatschappijopvatting is sterk gestempeld door het werk van de Nederlandse theologen Abraham Kuyper en Herman Bavinck, en werd vroeger voornamelijk uitgedragen door de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Vooral de vrijgemaakten hadden tot voor kort een hechte zuil, met eigen vrijgemaakt-gereformeerde scholen, een eigen partij (GPV, opgegaan in de ChristenUnie), een eigen krant (Nederlands Dagblad), etc. De grenzen van deze zuil zijn echter vervaagd, met name in de richting van andere orthodox-gereformeerde kerken, maar ook richting de evangelische stroming enerzijds en midden-orthodoxe kerken anderzijds. De Evangelische Omroep steunt in grote mate op orthodox-gereformeerde kerken en evangelische groepen. In politiek opzicht is deze stroming hoofdzakelijk te vinden bij de ChristenUnie.

De Gereformeerde Kerken in Nederland (met afstand het grootste gereformeerde kerkgenootschap) behoorden tot ca. 1970 in hun geheel nog tot de orthodox-gereformeerden. Door liturgische en theologische vernieuwingen binnen dit kerkgenootschap wordt de hoofdstroom van de GKN sindsdien ingedeeld in een aparte categorie, de modern-gereformeerden (zie boven).

  • Bevindelijk gereformeerden:
    • Protestantse Kerk in Nederland
      • Gereformeerde Bond (in PKN)
      • Hersteld Hervormde Kerk
      • Christelijke Gereformeerde Kerken
        • Bewaar het Pand
        • Gereformeerde Gemeenten
        • Gereformeerde Gemeenten in Nederland
        • Gereformeerde Gemeenten in Nederland (buiten verband)
        • Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland
        • Vrije Gereformeerde Gemeenten

De bevindelijk gereformeerden vormen de strengste groep gereformeerden en zonderen zich om die reden deels af van de rest van de samenleving. De kerkelijke verdeeldheid is groot: maar liefst zes kerkgenootschappen zijn bevindelijk gereformeerd en ook de helft van de Christelijke Gereformeerde Kerken en een aanzienlijke minderheid binnen de PKN (leden van de Gereformeerde Bond) is bevindelijk. Daarnaast bestaat er ook nog een groot aantal "vrije gemeenten" die niet tot een kerkverband behoren. Dit is mede te verklaren uit het zeer grote belang van de eigen bevinding van het geloof, waardoor over godsdienstige zaken snel onenigheid kan ontstaan. De bevindelijke theologie grijpt met name terug op zeventiende en achttiende-eeuwse theologen, de zogenaamde "oude schrijvers", die echter veelal worden gelezen door de bril van de twintigste-eeuwse theologen van de verschillende kerkgenootschappen. Zo zijn de drie kerkgenootschappen van de Gereformeerde Gemeenten gestempeld door het werk van de theoloog Gerrit Hendrik Kersten, dat zij echter ieder weer verschillend uitleggen.

Zo verdeeld als men kerkelijk is, zo verenigd is men echter in de politiek, binnen de SGP. Daarnaast is er vanaf de jaren '60 een hele reformatorische zuil ontstaan, met een eigen krant (Reformatorisch Dagblad), eigen reformatorische scholen en de meest uiteenlopende maatschappelijke organisaties.

  

"Hervormd", "gereformeerd", "protestants" en "reformatorisch"

Binnen de context van het gereformeerd protestantisme worden vaak de begrippen "hervormd", "gereformeerd" en "protestants" door elkaar gebruikt, telkens in een andere context of met verschillende definities. Dit is niet verwonderlijk, omdat bepaalde begrippen voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Het onderscheid, in de Nederlandse taal, tussen "hervormd" en "gereformeerd" is pas ontstaan na de Afscheiding van 1834. Voordien sprak men tussen 1571 en 1816 uitsluitend over "gereformeerden" en sinds 1816 (stichting Nederlandse Hervormde Kerk) over "hervormden". De afgescheiden kerken gebruikten het begrip 'gereformeerd' om aan te geven dat zij teruggingen op de oude kerk en de nieuwere Nederlandse Hervormde Kerk afwezen. Sindsdien werden met "hervormden" leden van de Nederlandse Hervormde Kerk en met "gereformeerden" leden van de verschillende gereformeerde kerkgenootschappen bedoeld.

De woorden 'hervormd' en 'gereformeerd' betekenen taalkundig precies hetzelfde. In beide gevallen gaat het om kerken die uit de Reformatie of Hervorming zijn voortgekomen. Gereformeerd is een leenwoord, maar met de oudste rechten; hervormd is een etymologisch Nederlands begrip, maar wel pas sinds 1816 in gebruik. In andere talen bestaat dit onderscheid niet (Engels: Reformed, Duits: reformiert, Frans: reformé), waardoor men vaak moeite heeft om het in de reformatorische zuil tot ontwikkeling kwam.

  

Geloof 3: Hervormd:

De Nederlandse Hervormde Kerk was sinds 1816 de naam voor de Nederduits(ch) Gereformeerde Kerk die tijdens de Tachtigjarige Oorlog de officiële kerk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was geworden. Vóór 1816 luidde de naam van dit kerkgenootschap voluit de Nederduits Gereformeerde Kerk. In 1816 werd de naam van deze organisatie officieel Nederlandsche Hervormde Kerk en naderhand Nederlandse Hervormde Kerk. Op 1 mei 2004 is de Nederlandse Hervormde Kerk met de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).

  

Uiteindelijke conclusie en reflectie.

 Leerdoel 2

 Ik ken de culturele identiteit van mijn cliënten

 Feedback collega’s:

 

 

Uiteindelijke conclusie en reflectie

Op de groep waar ik werkzaam ben, wonen 6 cliënten met allemaal hun eigen geloof. Vroeger werkte ik als invalkracht op deze groep en heb me toen nooit verdiept in de geloven van de bewoners. Ik vind dat ik voor mezelf en de cliënten hoor te weten wat hun geloof is en inhoudt.

Bijvoorbeeld M is jehova getuige. Ik ben haar tandem, dat houdt in dat ik veel dingen voor haar regel, dan vind ik het erg slecht van mezelf dat ik niet eens weet waar haar geloof voor staat en waar zij dus in gelooft. Ik ben nu dus gaan zoeken naar wat de verschillende geloven van de bewoners inhoudt en ben ik gaan kijken wat de bewoners doen met hun geloof.

Ik ben er achter gekomen dat M erg gelovig is, ze viert haar verjaardag niet, ze viert geen kerst, geen sinterklaas. Ik vond dit altijd maar raar, maar nu weet ik waarom ze dit niet wil en waar ze in geloofd.

Het is wel eens voorgekomen dat ik het erg lastig vond dat ik niet precies wist wat het geloof Jehova getuige in houdt. Het was bijvoorbeeld kerst, ik moet dan voor de bewoners van wie ik tandem ben, kerst kaarten versturen. Ik had dus allemaal kaarten gekocht voor M, maar het bleek dus, nadat ze me dat had verteld, dat ze helemaal niet aan kerst doet en dus ook geen kerstkaarten wil versturen. Nu heb ik alles op een rijtje voor mezelf en als ik iets niet meer weet kan ik het in mijn portfolio opzoeken.

Leerdoel: Behaald!